we waaien de strandopgang af
want met nieuwjaar zoek ik
de zegening van de zee
in de branding liggen
rijen lillend zeeschuim
soms breekt de formatie
en wordt een kort bestaan
opgelost in zand en wind
opgediepte flarden van
gebeden worden nog voor
ik ze heb kunnen zingen
verruist door de golven
in de kilometers voor ons
geen ander teken van leven
dan kraaien die een maaltijd
maken van een zeehond die
het nieuwe jaar niet haalde
boze wolken boren hun hagel
als naalden in onze schenen
de regen drijft ons richting
noordoostnoord en doordrenkt
ons tot op bot en schoenzool
aan de horizon een paviljoen
met alleen geweigerd respijt
dus sjokken we met sokken
vol zand en kou naar waar
de warmte wel op ons wacht
misschien zijn we zonder zegen
en veel doorweekter dan gewenst
maar met adem die is gestolen
door moeder natuur haar kracht
januari 2026
